met-de-korjaal-naar-atjoni

Op weg naar het hart van Suriname

Nelson Tiapoe wees naar twee bomen die niet ver van elkaar stonden tussen de dichte begroeing van de jungle. “Wanneer je een mango boom en cacaoboom samen ziet, dan weet je dat er vroeger mensen in de omgeving hebben gewoond.”, zei Nelson. Hij gaf mij, samen met een 62-jarige Hollander, genaamd Ton, een rondleiding in het Amazone regenwoud in het Boven Suriname gebied waar zijn ecoresort, Knini Paati, gelegen was. Zelf had hij niet zulk bewijs nodig om te weten of er mensen hadden gewoond. Zijn voorouders hebben namelijk op deze exacte locatie gewoond, tezamen met andere familieleden, allemaal Marrons van de Saramaccaanse stam. Ze waren de nakomelingen van de tot slaaf gemaakten die van de plantages naar de jungle waren gevlucht in de late 17 e en vroege 18 e eeuw. Nelson groeide op in Paramaribo, de hoofdstad van het Zuid-Amerikaanse land dat bekend stond als Nederlands-Guyana, en heeft het resort, letterlijk, met zijn eigen handen opgebouwd. Dat ik verbleef te Kninipaati was puur toeval. Normaalgesproken zou het eigenlijk boven mijn budget zijn- 3 dgen en 2 nachten, inclusief maaltijden, transport vanaf Paramaribo met auto en boot kost gemiddeld 250 euro (ongeveer 300 USD; de prijzen zijn in euro’s omdat het overgrote deel van zijn gasten, en bezoekers van Suriname, uit Nederland komt, de voormalige koloniale overheerser). Net als in buurlanden Guyana en Frans-Guyana, woont de 550.000 koppen tellende bevolking overwegend aan de kust, waardoor een bezoek brengen aan het binneland uitdagend is; veel plekken kunnen alleen worden bereikt met de boot of het vliegtuig. Toen ik aankwam bij het, betaalbare en elegante, Hotel Palacio te Paramaribo-na een tocht met de bus en de ferry vanuit Guyana als onderdeel van mijn reis naar het WK in Brazilie-vroeg ik bij de frontdesk of er een manier was om vrij goedkoop in het binnenland te komen. De general manager, een jonge Hindoestaans-Surinaamse man genaamd Avinash Radjkoemar, nodigde mij tot mijn grootste verbazing uit om hem en wat vrienden en familie te vergezellen naar het resort van zijn jeugdvriend, Nelson. (Overigens wist hij niet dat ik een verslaggever was). Hij belde Nelson om de kosten te bespreken: twee dagen, een nacht, 470 SRD (ongeveer 63 USD bij een koers van 7.5). De uitnodiging, zoals ik snel genoeg zou ontdekken, was kenmerkend voor twee belangrijke karakteristieken van de Surinaamse bevolking: het warm verwelkomen van bezoekers aan het land en de interactie tussen de verschillende culturen waarbij er mooie vriendschappen ontstaan tussen bewoners met verschillende achtergronden, terwijl de bevokingsgroepen nog steeds hun eigen indentiteit behouden, tot generaties na de komst van hun voorouders naar het land. Een goed voorbeeld zijn Nelson en Avinash die samen zijn opgegroeid en elkaar als broers beschouwen. De mengelmoes van culturen in Suriname is overweldigend, deels omdat het een ander soort culturele diversiteit is dan ik gewend ben, zelfs anders dan in een multi-culturele plek als Queens, waar ik vandaan kom. Het was langer dan een eeuw geleden toen de eerste Hindoestanen als contractarbeiders naar Suriname kwamen en toch spraken de familieleden van Avinash een taal die afgeleid was van het Hindoestaans. Familieleden van Nelson, woonachtig in dorpjes nabij het resort, spreken nog steeds het Saramaccaans. En het wordt nog meer duizelingwekkend: In Suriname spreken de Hindoestanen, evenals de Javanen(zoals de nakomelingen van de Indonesische contractarbeiders genoemd worden), de Marrons en de Inheemse groepen allemaal nog steeds hun eigen taal. Echter spreekt men Nederlands in het onderwijs en communiceert men onderling in het Sranan Tongo, ook wel taki-taki genoemd. En dan heb ik het nog niet eens over de zwarte bevolking die ook wel Creolen genoemd worden, de Chinezen die ogenschijnlijk alle supermarkten bezitten of de talloze Brazilianen die werkzaam zijn in de goudindustrie, of de Hollanders die er om allerlei redenen zijn zoals een man die oliebollen verkoopt, een soort Hollandse donuts, voor SRD 2.50, vlakbij de Waterkant in Paramaribo. Het Surinaamse eten is ook gemixed, net een culinaire taki taki. In een warung, een Javaans eethuis, in de wijk Blauwgrond te Paramaribo, ontmoette ik een man, Cliften Sno, die een Javaanse kippensoep, bekend als saoto, voor mij klaarmaakte. Toen ik vroeg hoe het kwam dat hij dit Javaanse gerecht kon bereiden, was zijn antwoord: “ In Suriname weet iedereen saoto klaar te maken.” Nadat ik hem had geinterviewed, bood hij aan mij thuis af te zetten. Onderweg maakte hij een tussenstop in een woonwijk waar voornamelijk welgestelde Hindoestanen wonen. Er was een straat afgezet en op de een of andere manier wist hij dat het om een vrijgezellen feest ging voor een Hindoestaanse bruid. Hij vertelde dat er in deze buurt, tijdens Kerst altijd veel kerstlichtjes werden opgehangen en het werd er helemaal versierd. Een beetje verward zei ik: “Maar ze zijn Hindoe.” Hij antwoordde: “Dit is Suriname!” Dit is een veel voorkomend fenomeen. Bijvoorbeeld, Elionore, een Creools-Inheemse universiteitsstudente die ik ontmoette op de Centrale Markt die op een Inheems meisje paste terwijl ze de marktkraam in de gaten hield die toebehoorde aan een Javaanse vrouw die zij als haar moeder beschouwde. Het is zo dat de Hollanders het toerisme in Suriname domineren. Het land werd onafhankelijk van Nederland in 1975 en is hersteld van bloedige Burgeroorlog in de jaren tachtig. Het is een half-gepolijste, toerisme, diamant tussen twee ruwe diamanten: Guyana in het westen en Frans-Guyana in het oosten. Maar de teleurstellende Noord-Atlantische kust – grotendeels zonder witte stranden en kristalhelder water zoals op de Caribische eilanden in het noorden – maakt dat het geen bestemming is voor liefhebbers van het strand. Tevens is het land ontoegankelijk vanuit het Zuiden waar de grotendeels ondoordringbare jungle, dat het grootste deel van het land bedekt, naadloos overgaat in het Braziliaanse Amazone Regenwoud. Twee dagen nadat Avinash mij had uitgenodigd werd ik door Nelson opgehaald bij het hotel. De Nederlandse man, Ton Dubislav, zat al in de auto. We reden het grootste deel van de route lansg goudmijnen die hoewel illegaal toch openlijk geopereerd werden. Onze reis vervolgde met een boottocht van ongeveer een uur, in een korjaal, richting het resort dat bestond uit een paar lodges en een keuken, in een afgelegen deel van de rivier. Nou, men mag een gegeven paar niet in de bek kijken, maar de familie en vrienden van Avinash – zeker 20 personen en varierend van jonge kinderen tot een 81-jarige grootmoeder – hoewel ontzettend vriendelijk en zeer gastvrij, waren niet helemaal het ideale gezelschap. Ze waren natuurlijk daar om vooral van elkaars aanwezigheid te genieten, dus ook in hun eigen taal. Hetvredige, afgelegen oord werd een luidruchtige feestlocatie, compleet met schietende pistolen(er waren agenten in de groep) en een gierende jet ski die totaal niet op zijn plaats was (hoewel ik de uitnodiging er een rit op te maken zeker niet afsloeg). Een deel van het geluid kon ik zeker waarderen: Avinash speelde Dominicaanse merengue van Juan Luis Guerra, mijn favoriete artiest en erg populair bij de generatie van jonge Surinamers waartoe hij behoort. Nelson onderhoud goed contact met de lokale Marrongemeenschappen in de naast elkaar gelegen dorpen Niew-Aurora en Tjai Kondre. De dorpen zijn gescheiden op basis van religie; de eerste praktiseert het Christelijke geloof en de tweede de traditionele Saramakkaanse godsdienst. De dorpen waren veel groter – maar minder modern – dan ik had verwacht. De bevolking bestond uit duizenden mensen maar er was maar weinig te zien van het moderne leven, behalve een enkele electriciteitskabel, een paar winkeltjes en de zinkplaten die de daken van palmbladeren, op de dicht bij elkaar staande houten hutten. hadden vervangen Er zijn geen geasfalteerde wegen maar kronkelende zandpaadjes die alles met elkaar verbinden. Volgens Nelson zijn het de Marrondorpjes die het dichts bij de Afrikaanse levensstijl zijn gebleven als men het vergelijkt met de rest van Afrikaanse diaspora. Hij vertelt dat Ghanese bezoekers tot tranen toe geroerd waren bij het zien van de dorpen die zoveel leken op dat wat zij kenden zoals de naakte kinderen die speelden in de rivier en de vrouwen die er met de hand de kleren wasten. Nelson wil zich in de toekomst gaan richten op de Afro-Amerikaanse toerist, wat ik een veelbelovend idee vond. Op het eiland was er niet veel anders te doen dan relaxen, een verfrissende duik maken in de rivier en luisteren naar de verhalen van Ton over zijn tijd in het Nederlandse leger toen hij gestationeerd was in Suriname. Daarnaast vertelde hij over zijn plannen om met Nelson samen een ‘extremer’ eco-resort op te zetten, verder stroomopwaarts, waar men alleen dat zou eten wat de jacht en visvangst hadden opgebracht. Men zou er dan ook excursies in het bos kunnen maken met hulp van niets anders dan een machete en GPS. De tijd die ik had doorgebracht op rivier stond in perfect contrast met de twee dagen dat ik in Paramaribo, een bruisend stadje, was. Gezellige straatjes met witgeverfde koloniale gebouwen, met Nederlandse invloeden waar tegenwoordig overheidskantoren, hotels en bedrijven in gevestigd zijn, die gelegen zijn naast of soms zefs overgaan in moderne stadsdelen met veel bedrijvigheid en een Latijns-Amerikaanse ‘vibe’. Er is een enkel nadeel: bedrijven en attracties beginnen hun activiteiten vroeg, rond zeven uur in de ochtend, en sluiten nog vroeger, rond twee of drie uur in de middag. Dat wil zeggen dat laat-slapers als ik hun schema moeten aanpassen. De meeste Hollanders leken over het algemeen hun tijd door te brengen met het drinken van Parbo aan de Waterkant maar ik verkoos het grootste gedeelte van mijn tijd te besteden in het chaotische, commerciele gedeelte van de stad. Het was er vol met busjes die gereed stonden om mensen te vervoeren naar het binnenland, winkels met rare Engelse namen (Foot Candy?), Chineze zaakjes vol snuisterijtjes waar ik een hangmat heb gekocht voor een ander onderdeel van mijn reis, mensen die aan schaken waren en een kraampje waar men worst verkocht en zei dat het typisch Surinaams was hoewel het er Hollands uitzag. Er zijn nog wat standaard attracties, voor toeristen, zoals een zeventiende eeuws, Brits fort dat door de Nederlanders was overgenomen, versterkt en omgedoopt tot Fort Zeelandia. Het is mooi gerenoveerd en er zijn historische tentoonstellingen van Inheemse en Marron voorwerpen, naast een reconstructie van een apotheek uit de koloniale periode. Helaas zijn de begeleidende teksten allemaal in het Nederlands. (de entree is SRD 15; er is een kleine boekje te koop voor SRD 2,50 die wat basis informatie verschaft). Oh, had ik al vereld over de, boven de stad torende, minaretten van de moskee aan de Keizerstraat, gebouwd in 1984, die gelegen is naast de achttiende eeuwse Neve Shalom Synagoge, met haar Ionische zuilen, die hoort bij een Joodse gemeenschap die te herleiden is tot aan de zeventiende eeuw? Nee? Nou, er is slechts een bepaalde hoeveelheid multiculturaliteit voor een artikel om te bevatten!

Foto's & VIDEO'S

Sluit Menu